insult H. Mulders
De nieuwe schoolmeester kwam 29 september 1829 in Bokhoven aan en koos het huis van J. van Mil als zijn kosthuis. Dat liep allemaal nogal goed af. Daags daarna kwam hij met zijn vader naar de pastorie. De vader beval zijn zoon aan de zorgen van de pastoor aan. De jonge schoolmeester had een aanbevelingsbrief van de schoolopziener meegebracht. "Maar", zo schreef pastoor Beckers in zijn reeds genoemd dagboek, "ik sloeg hierop weinig acht, daar de steller des briefs onroomsch en onbekwaam was om mij wegens het zedelijke in te lichten, en verwonderde mij dat de meester van geen getuigschrift van de pastoor zijner geboorteplaats of vroegere woonplaats voorzien was". Om de opvattingen en de mentaliteit van die dagen in een klein dorp als Bokhoven een beetje te begrijpen, laten we hier volgen, wat de pastoor naar aanleiding van deze eerste kennismaking met de nieuwe onderwijzer nog meer optekende. "lntusschen ik gaf hem voor raad van zich met niemand en voornamelijk met geene geschillen in te laten, maar onzijdig zijnen pligt te betrachten. Overigens vermaande ik hem bij voorbaat, dat wanneer hij willens was de jongelieden der gemeente te tracteeren, zulks moest geschieden zonder dat jongelingen en jongedochters in een huis bij elkander kwamen, en zonder dat er bij die gelegenheid onpasselijkheden plaats grepen. Hij beloofde mijne bevelen te zullen nakomen. Daarenboven vermaande ik volgens pligt des zondags over dergelijke bijeenkomsten en vernieuwde bij die gelegenheid de bevelen daaromtrent door Zijn Hoogwaarden den Vikaris Generaal uitgevaardigd en gegeven. Maar des niettegenstaande konden eenige der stijfhoofdigen goedvinden tegen mijne vermaning dit feest te vieren op den dag juist dat de choristen bij den burgemeester hunnen gewoonelijken teerdag hielden. Omtrent den middag, half beschonken, begon een woeste hoop den optogt: jongelingen en meisjes ondereen, gevolgt door zatte leden van den raad, trokken met eenen eerboog, waaronder de meester ging, naar de school en hielden stil voor de woning van den koster, van den burgemeester en H. Mulders, door gezang en dansen deze insulteerende. Ik bedroefde mij hierover en gaf op den daarop volgenden zondag mijn leedwezen openlijk te kennen, met bijvoeging, dat ik geen der ongehoorzamen in den biechtstoel zou toelaten, tenzij zij mij alvorens vergiffenis gevraagd hadden en de gegeven ergernis hersteld ware. Daarenboven zegde ik hun, dat ter voorkoming van buitensporigheden mij mijn geweten verpligtte, de toegezegde belooning voor de eer bij mijne aankomst mij aangedaan, niet te laten volgen, maar dat ik de hiervoor gedeponeerde gelden, tijdens het ophanden zijnde wintersaisoen aan brave armen zou uitreiken.
Uit: Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.
De vraag is natuurlijk waarom voor het huis van H. Mulders werd gezongen en waarom hij werd geinsulteerd. Duidelijk is dat H. Mulders gemeenteraadslid is. In 1829 speelt een conflict rondom het gebruik van de kosterswoning door de koster en/of de schoolmeester. Voorheen was de koster tevens schoolmeester. Op dat moment is de functie gescheiden. Bovendien is het onderwijs een taak van de gemeente geworden en niet langer van de kerk. Het conflict eindigt met een besluit dat de kosterswoning voor de koster (kerk) is en dat de schoolmeester hier ruimte huurt.