Rietmolenaren vijandelijke onderdanen?
Rietmolen en de Tweede Wereldoorlog
de tweede aflevering in de facebook groep Rietmolen die over de familie Veendrick en ter Woorst in een lange serie over Rietmolen in de Oorlog verscheen.
Het was leuk om met Jan Willem ten Beitel aan deze stukjes te werken.
52. Rietmolenaren vijandelijke onderdanen?
Vorige week hebben we kennis gemaakt met de familie Veendrick. Vanwege de Duitse nationaliteit van vader August werd zoon August opgeroepen voor de Duitse krijgsmacht, hij zou niet meer terugkeren. Maar dat is niet het enige leed dat de Duitse nationaliteit van de familie veroorzaakte. Want direct na de oorlog kwam de Nederlandse overheid met wetgeving om Duitsers en mensen die met de Duitsers hadden samengewerkt, aan te pakken. Zij werden als ‘vijandelijke onderdanen’ aangemerkt. De komende afleveringen gaan over Rietmolenaren die dit overkwam, onder wie dus de familie Veendrick.
Al op 20 oktober 1944, het land is dan nog slechts deels bevrijd, gaat de Nederlandse regering in ballingschap in Londen over tot het Besluit Vijandelijk Vermogen, waarin voor de naoorlogse periode het kader voor Rechtsherstel en compensatie voor de geleden schade in de oorlog wordt gelegd. Alle onderdanen van de As-mogendheden Duitsland, Italië en Japan worden verklaard tot ‘vijandelijke onderdanen’. Per koninklijk besluit wordt bepaald dat het vermogen van deze vijandelijke onderdanen van rechtswege in eigendom overging op de Nederlandse Staat. Dit betekende dat de Nederlandse overheid deze vermogens confisqueerde, bij wijze van herstelbetaling voor de geleden oorlogsschade. Een nieuw instituut werd opgericht om dit vermogen te beheren: het Nederlandse Beheersinstituut. De Nederlandse regering sorteert dus alvast voor op herstelbetalingen door middel van het afpakken van geld van burgers met, in de meeste gevallen, de Duitse nationaliteit.
Per 1 mei 1945 worden zowel August Veendrick senior, als zijn kinderen (jongste zoon August was nog vermist, zie de aflevering van vorige week) onder bewind gesteld van het Beheersinstituut en worden dus ‘tot vijand verklaard’. Vorige week hebben we al kunnen lezen dat August senior in 1871 in het vlak over de grens gelegen Anholt geboren was, en tot 1903 in Süderwick/Hanneveld bij zijn ouders woonde, op minder dan een kilometer van de grens bij Dinxperlo. Dan verhuist hij naar Gaanderen waar onder anderen zoon Johan in 1905 ter wereld kwam. In 1912 verhuizen ze naar boerderij ‘de Ravenhorst’ in Rietmolen. August blijft gedurende die hele periode de Duitse nationaliteit houden en zijn kinderen daarmee ook. In 1935 vraagt August senior nog een Duits ‘Heimatschein’ aan voor zijn familie, een bewijs dat je een inwoner was van een bepaald dorp/stad en dat vaak een vereiste was voor zaken als het openen van een bedrijf en dergelijke. Vergelijk het met het huidige BSN-nummer.
De vijandverklaring direct na de oorlog heeft grote gevolgen voor de familie Veendrick. Het vermogen wordt bevroren en er wordt een externe bewindvoerder/bedrijfsleider van het boerenbedrijf aangesteld, te weten E. ten Broeke uit Groenlo. Het is het begin van een jarenlange juridische strijd. Een jaar later, op 24 september 1946 wordt een aanvraag tot rechtsherstel gedaan, om van alle gedoe af te komen, en een maand later, op 12 oktober, wordt Johan aangesteld als bewindvoerder van hun eigen bedrijf. Zo ontstaat dus de situatie dat het bedrijf nog steeds onder beheer van de overheid valt, en zoon Johan tegen een vergoeding van 100 gulden per maand plus kost en inwoning voor de overheid beheerder wordt van de eigen boerderij. Zijn vrouw Mina Huitink krijgt 125 gulden huishoudgeld per maand (om die kost en inwoning te betalen). Johan en Mina waren een week eerder, op 5 oktober 1946, getrouwd. Een en ander lijkt dan ook met elkaar te maken te hebben. Vermoedelijk kon Johan pas aangesteld worden als hij (met een Nederlandse) getrouwd was, hoewel zijn vijandverklaring nog niet was opgeheven. Enkele jaren verandert er ogenschijnlijk niets, totdat op 27-8-1948 zijn vader August overlijdt,die woonde inmiddels bij zijn dochter en schoonzoon Klein Severt in Beltrum. In 1949 doet Johan namens de erfgenamen een aanvraag voor ‘ontvijandverklaring’ voor zichzelf, maar postuum ook voor zijn vader, waarschijnlijk om aanspraak te kunnen maken op de erfenis. In juli van dat jaar komt als eerste bericht over zijn vader; de aanvraag wordt afgewezen. Op 4 november echter, ontvangt Johan bericht dat zijn aanvraag wél wordt ingewilligd en krijgt hij dus zijn ‘ontvijandverklaring’, waarmee meteen ook het beheer van het Beheersinstituut over hem vervalt. Het eigendom van de boerderij is daarmee echter nog niet vrijgegeven. In april 1950 ontvangt Johan de motivatie van het Beheersinstituut om het verzoek tot ontvijandverklaring van zijn vader af te wijzen. Hieruit blijkt dat August senior volgens het Beheerstintituut “te Duitsgezind” was, omdat volgens hen bleek “dat August Veendrick zich ondanks zijn langdurig verblijf in Nederland steeds Duitser bleef voelen en in 1935 zelfs een Heimatschein heeft aangevraagd; dat Veendrick zich erop liet voorstaan de Duitse nationaliteit te bezitten; dat Veendrick regelmatig werd bezocht door Duitse officieren en SD-mensen die bepakt en beladen bij hem weggingen; dat Veendrick regelmatig contact onderhield met de NSB Landstand boerenleider [Mekking uit Neede], andere NSB’ers en de Ortsgruppenführer van de NSDAP te Winterswijk; dat een zoon van Veendrick in Duitse militaire dienst is geweest en dat niet is gebleken dat hij dit heeft trachten te voorkomen [de verklaring van Mekking uit aflevering 51 die dit weerspreekt dateert van 29 mei 1950 en is vermoedelijk als antwoord op deze motivatie opgesteld]; dat moet worden aangenomen dat Veendrick zich door bovengenoemde gedragingen de facto aan de zijde van de vijand had gesteld.”
Er ligt echter ook een verklaring uit 1946 van kassier G. Kormelink van de Boerenleenbank Rietmolen, voorloper van de Rabobank, waaruit een genuanceerder beeld naar voren komt: “Wij kennen de heer Veendrick als een vooruitstrevend mens, met andere boeren richtte hij in 1919 de Boerenleenbank te Rietmolen op, waarin hij gelijktijdig met ondergetekende gedurende veertien jaar een bestuursfunctie vervulde. Hij gaf mede den stoot tot de oprichting van den plaatselijke Boerenbond [handelsorganisatie voor agrarische producten, later ABTB], waarin hij ook het vertrouwen der leden had; vele jaren maakte hij deel uit van het bestuur. Verscheidene jaren was hij bestuurslid der Coöperatieve Zuivelfabriek te Eibergen. Veendrick heeft zich in die jaren verdienstelijk gemaakt voor de gemeenschap, uit zijn gedrag bleek niets van Duitse gezindheid. In de oorlogsjaren geloofde Veendrick in de Duitse overwinning (volgens onze mening dan), hetgeen helaas aanleiding gaf tot politieke geschillen. Echter, in de moeilijke periode najaar 1944 toen er gegraven moest worden voor de Duitse weermacht [zie aflevering 32] heeft Veendrick geadviseerd: niet melden, niet graven.”
August Veendrick was dus iemand die voor de oorlog veel voor de Rietmolense, en dus Nederlandse, samenleving betekend heeft. Dat lijkt door het Beheersinstituut echter volledig buiten beschouwing te zijn gelaten. En hoewel uit bovenstaande wel ‘Duitsgezindheid’ blijkt, nam hij niet actief deel aan de Duitse vijandelijkheden. Hij was geen lid van de NSB bijvoorbeeld, en heeft geen onderduikers aangegeven.
Al met al ontstaat een beeld dat het het Beheersinstituut vooral om het vrijgekomen vermogen te doen was, omdat er nu eenmaal geld nodig was. Onderdanen die zich jarenlang verdienstelijk hadden gemaakt voor de samenleving, werden de dupe. In geval van de familie Veendrick vooral zoon Johan, omdat August zelf al in ’48 overleden was. De kwestie zou nog jaren voortslepen.
Dat zien we volgende week, en dan zien we ook andere Rietmolenaren die met het Beheersinstituut te maken kregen.
Tot dan,
Jan Willem ten Beitel