Cornelis Dirks Abspoel en Jannetje Jans de Nijs

Let op: opent in een nieuw venster | Afdrukken |

We lazen net dat de vader van Cornelis Dircx Abspoel in 1691 sterft. Zijn moeder is daarvoor al overleden. Hij is zelf pas 16 jaar oud. Als voogden worden Pieter van Slingerlant en De Nijs Leendertz Groeneveldt aangewezen. Uit de erfenis blijkt hij niet arm te zijn achtergebleven. Bovendien is hij poorter. De kans is daarom aanzienlijk dat hij tussen zijn 16e en zijn 21e in het Burgerweeshuis is opgevangen.


Op zijn eenentwintigste trouwt hij met Jannetje Jans de Nijs, op 7 september 1697 in de Hooglandse kerk in Leiden. Zij is dochter van Jan de Nijs, brouwersgast en Jannetje Vermaes. Zij woont met haar moeder in de St Jorissteeg. Getuigen bij het huwelijk zijn haar moeder Jannetje Vermaes en zijn voogd Pieter van Slingerlant.

Onderstaand bericht in het trouwregister is hiervan het bewijs:

De tekst:

oudste huweljk

1763 Schuttersdoelen, Doelengracht kopergravure door Abr. DelfosCornelis Dirces abspoel schoenmaker, jongman van Leyde wonend op de Doelgraft egdf …. Van Clingeslant syn vooigt buijten den de Marespoort

met

Jannetse Jans Nijs jongdame van Leyde wonende in de St. Jorissteegh egvf met  Jannetge Vermaes haar moeder mede aldaar

Cornelis is dan Schoenmaker (eerst knecht en later meester) en woont op de Doelgracht. De Doelgracht is een open veld aan de Singel, waar de schutterij kan oefenen in het schieten. Hiernaast zien we een afbeelding van de Doelgraft in die tijd.

Het echtpaar is niet onvermogend en poorter. Ze betalen voor het voltrekken van hun huwelijk daarom het “volle pond” en dat is 12 gulden in die tijd.

Schoenmaker

Schoenmakers zijn goed opgeleide ambachtslieden. Ze worden opgeleid in binnen een gilde. Eerst zijn ze een fors aantal jaren knecht binnen een gilde. Na het afleggen van een meesterproef, worden ze meester en kunnen ook zelf knechten opleiden. Cornelis wordt in 1723 beschreven als meester. Lid worden van een gilde was voorbehouden aan Poorters. Een poorter is een burger die zich het recht verworven had binnen de poorten van een plaats (Leiden) te wonen. De poorter had het recht om lid te worden van een gilde en ook voor bestuurlijke functies kwam hij in aanmerking. Ook genoot hij het burgerrecht en was hij poorter.

Poorter

De poorter hoefde geen tol te betalen en mocht ook rechtszaken aanspannen. Wanneer de poorter overleed, hadden de kleine kinderen van de poorter het recht om opgenomen te worden in een Burgerweeshuis, dat een betere verzorging bood dan een gewoon weeshuis of armenhuis. De burgerplicht bestond hierin, dat hij belastingplichtig was en aan de kosten voor de verdediging van de stad en het onderhoud van de verdedigingswerken moest bijdragen.

Poorter worden was duur omdat een hoog toegangsbedrag moest worden betaald en omdat elk jaar belasting moest worden betaald. Een vreemdeling kon, op voordracht van tenminste twee poorters, zelf poorter worden door een bedrag betalen. In Leiden was dat bedrag begin 18e eeuw ruim twaalf gulden. Dit gebeurde vooral als een gilde nieuw mensen aantrok.

 

Boven: Simon Spont, schoenmaker van Noortwijck, is op de getuijgsgriften van Govert Spont, silversmit en Cornelis Abspoel, schoenmaker als Poorter dezes stedes aangenomen op des 11 Maij 1722

Onder: Bernard Solac de Robertson, schermmeester van de Beaulieu in Schotsland is op de getuigsgriften van Simon Spon meester schoenmaker en Cornelis Dircx Abspoel, meester schoenmaker als Poorter deses stedes aangenomen op den 19 e Maart 1723

Hierboven zien we twee vermeldingen in het Poorterboek van Leiden. Hierbij staat Cornelis Abspoel (mede)borg voor een schoenmaker uit Noortwijk en een meesterschermer uit Schotland (!). Zij verkrijgen hiermee het Poorterschap van Leiden en kunnen er dus aan het werk.